Middensegment woningen – bereikbaar door prestatieafspraken met beleggers!

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft een beleidsstudie gepubliceerd: PERSPECTIEVEN VOOR HET MIDDENSEGMENT VAN DE WONINGMARKT, Verkenning van maatregelen ter bevordering van het aanbod.

unknown

Deze beleidsstudie laat de spanningen voor woningzoekende huishoudens zien in het  middensegment van de woningmarkt. Deze spanningen worden onder andere veroorzaakt door trends als flexibilisering van de arbeidsmarkt en door de hervormingen van de woningmarkt door de Rijksoverheid. Onze Rijksoverheid heeft de woningcorporaties teruggeduwd naar de sociale huursector. De vastgoedbeleggers wilden een level playing field. Een level playing field was er niet omdat de woningcorporaties goedkoper geld konden lenen (staatssteun) dan de vastgoedbeleggers en samen op het zelfde terrein actief waren. Hierop moesten de woningcorporaties zich van de Rijksoverheid met hun goedkope financieringen terugtrekken uit het midden en hoger segment van de woningmarkt. De scheiding tussen sociale huursector en duurdere huur en koopsector werd zo harder en de afstand groter. Dit verschil werd vervolgens niet overbrugd door massale investeringen van vastgoedbeleggers. Iets wat we wel hadden mogen verwachten nadat de spelregels op hun verzoek gelijk getrokken waren?

Onze huidige maatschappelijke context is er nu een van enerzijds grotere vraag naar woningen in het middensegment en anderzijds minder beschikbare woningen in het middensegment door de strengere scheiding en grotere afstand tussen sociale huursector en de koopsector.

Het PBL geeft aan dat deze groeiende problemen deels kunnen verminderen door het aan huishoudens aanbieden van meer mogelijkheden om zich vrij over de woningmarkt te bewegen. Een groter en toegankelijker middensegment op de woningmarkt is een van de manieren om dit te bereiken. Het PBL geeft aan dat de ontwikkeling van het aanbod achter blijft bij de (verwachte) vraag. Daarom komt het PBL in deze beleidsstudie met vier denkrichtingen om het aanbod van huurwoningen in het middensegment verder te vergroten.

Deze vier denkrichtingen zijn:

  1. Nieuwbouw door vastgoedbeleggers en corporaties.
  2. Administratieve scheiding van niet-DAEB*-portefeuille van corporaties.
  3. Juridische splitsing van niet-DAEB-portefeuille van corporaties.
  4. Overname niet-DAEB-portefeuille van corporaties door vastgoedbeleggers.

De eerste denkrichting zit op het gebied van nieuwbouw en de andere drie denkrichtingen behandelen mogelijkheden die de Woningwet 2015* biedt: herpositionering van bestaand corporatiebezit door middel van administratieve scheiding of juridische splitsing in DAEB- en niet-DAEB-activiteiten op basis van de woningkwaliteit in plaats van de huurprijs.

Daarmee is het in principe mogelijk de woningmarkt meer flexibel te laten functioneren en vermogen vrij te spelen voor investeringen in nieuwbouw, verbetering en leefbaarheid. Welke van deze vier denkrichtingen gebruikt kan worden is sterk afhankelijk van de spanning van lokale woningmarkt.

Onderstaand plaatje geeft hier een visualisatie van:

fullsizeoutput_488

De vier denkrichtingen in de beleidsstudie geven een hanteerbare weergave van de impact van verschillende typen beleidsmaatregelen. Impact op de verwachte bijdrage aan de ontwikkeling van het aanbod in het middensegment, de verwachte effecten in verschillende soorten regionale woningmarkten en ook waarborging van de publieke belangen.

Deze beleidsstudie is een goed instrument om op het niveau van de lokale woningmarkt afspraken te maken. De huurdersbelangenorganisaties, gemeenten, woningcorporaties en vastgoedbeleggers kunnen in de Prestatieafspraken keuzes maken voor de beleidsmaatregelen met de voor hun woningmarkt gewenste effecten en borging van de publieke belangen.

De Prestatieafspraken zijn bij Woningwet 2015 geregeld voor afspraken op gelijkwaardig niveau tussen huurdersbelangenorganisatie, gemeenten en woningcorporaties. Willen wij het middensegment echt samen kunnen opentrekken, zullen wij ook de vastgoedbeleggers actief contractpartner moeten maken. Wat houdt ons tegen?

Auteur: Marcel Meulen – http://www.meulenadvies.blog

logo-rond

 *= In de Woningwet en het BTIV staat het onderscheid tussen diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en andere activiteiten (niet-DAEB) centraal. Een corporatie moet haar statuten, reglementen en werkzaamheden voor 1 januari 2017 in overeenstemming brengen met de nieuwe wet- en regelgeving. Een belangrijk punt hierbij is dat de corporatie een keuze moet maken wat voor soort corporatie zij binnen het nieuwe volkshuisvestingsregime wil en kan zijn. Van te voren moet daarover afstemming plaatsvinden met de gemeente(n) waar de corporatie feitelijk werkzaam wil zijn. Ook de huurders- en bewonersorganisaties hebben een prominentere rol in het geheel gekregen. De Woningwet en het BTIV hebben dan ook een veel verdergaande invloed op corporaties dan het maken van een keuze tussen een administratieve scheiding, een hybride administratieve scheiding (administratieve scheiding met dochter) of een juridische scheiding van het DAEB en niet-DAEB bezit en de bijbehorende activiteiten.