Onderzoeksrapport naleving Wet op de Ondernemingsraden (WOR) 2017 – gepubliceerd

Het onderzoek

Periodiek laat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek doen naar de naleving van de Wet op de Ondernemingsraden. Het vorige onderzoek is van 2011. Het onderzoeksrapport is door het ministerie op 17 oktober 2017 gepubliceerd.

Marcel Meulen als panellid

Voor dit onderzoek van 2017 is gewerkt met panelleden. Voor het panel werkgevers heeft mr Marcel Meulen MCD als panellid vanuit de sector woningcorporaties zijn inbreng voor het onderzoek gedaan.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

De instellingsgraad in 2017 is 67%. Dit is een afname van 4% ten opzichte van 2011. Het nalevingspercentage stijgt naarmate de omvang van een organisatie toeneemt. Het beeld naar grootteklasse en sectoren is gelijk gebleven ten opzichte van 2011. Hoe groter het aantal tijdelijke werknemers in bedrijven is, hoe lager het nalevingspercentage. In het kwalitatieve deel is aangegeven dat dit is te begrijpen vanuit de structuur van de WOR. De werknemersvertegenwoordigers in het kwalitatieve onderzoek hebben aangegeven deze structuur te willen handhaven. Deskundigen zijn daarentegen van mening dat het wenselijk is de flexibele schil meer bij medezeggenschap te betrekken.

Daar waar geen OR is ingesteld, geeft twee derde van de werkgevers aan dat het personeel er geen behoefte aan heeft en de helft geeft aan dat er voldoende andere vormen van overleg zijn. In het kwalitatieve onderzoek zijn als redenen voor het niet naleven van de instellingsverplichting de economische crisis in de afgelopen periode, de kosten die met de medezeggenschap samenhangen, de groei van de flexibele contracten en de matrixorganisatie genoemd.

Bevordering van de medezeggenschap ligt vooral bij het bestuur van bedrijven en organisaties, zo wordt in het kwalitatieve onderzoek gesteld.
Volgens deelnemers aan het kwalitatieve onderzoek zou de wetgever moeten streven naar 100% naleving. Om naleving te bevorderen denken zij in eerste instantie aan positief stimuleren en in tweede instantie aan sancties. Instrumenten die kunnen helpen zijn: ‘pas toe of leg uit’, verplichte vermelding in jaarverslag, evenals het voor bestuurders behalen van Permanente Educatiepunten, zoals die voor toezichthouders in een aantal sectoren worden gehanteerd. Ook een registratieplicht bijvoorbeeld bij de Kamer van Koophandel zou nuttig kunnen zijn. Een instrument voor het niet naleven zou een bestuurlijke boete kunnen zijn als ook een hardere sanctie op het niet hebben van een OR bij insolventie.

In de meerderheid van de bedrijven is de flexibele schil op geen enkele wijze bij de OR betrokken.
In het kwalitatieve onderzoek is hier tweeledig op gereageerd. In de medezeggenschap heeft nu vaak de discussie over het terugdringen van flexwerk prioriteit boven de discussie hoe flexwerk in de OR kan worden betrokken. Maar gezien de toegenomen groei van flexwerk de laatste jaren, is ook bezinning op het betrekken van die medewerkers bij het bedrijf belangrijk.

Een grote meerderheid van de werknemers ziet net als de werkgevers, de meerwaarde van de OR in verschillende aspecten als extra informatiekanaal, middel om draagvlak voorbeleid te creëren, extra check op kwaliteit en volledigheid van besluiten, sparringpartner bij beleids- en organisatieontwikkeling en aanspreekpunt en onderhandelaar voor personeelsbelangen.

Zowel werkgevers als werknemers scoren de kwaliteit van het overleg op een voldoende tot een ruime voldoende. De werkgevers zijn in het algemeen tevreden over de medezeggenschap. De werknemers zijn wat minder positief over de kwaliteit van het overleg. Ook de werknemers zijn het meest te spreken over de kwaliteit van het overleg in de personeelsvergadering.